De aanwezigheid van hoge gehaltes (beta)globulines in het bloed van paarden, wordt verondersteld een indicatie te geven van de hoeveelheid kleine strongyliden.
Hier wordt een klinische studie beschreven met 38 paarden allen geïnfecteerd met kleine strongyliden waarbij ondermeer de hoeveelheid bètaglobulines in het bloed wordt vervolgd na behandeling met verschillende ontwormingsmiddelen. Het bleek dat er geen verschillen waren in de hoeveelheid bètaglobulines op de verschillende tijdstippen, voor en na behandeling. Ook in de groep van dieren welke behandeld werden met moxidectine, wat een afdodend effect heeft op de aanwezige ingekapselde larfjes bleek er geen verlaging van de bètaglobulines fractie na behandeling. Er wordt geconcludeerd dat de hoogte van de verschillende bloedeiwitten waaronder bètaglobuline geen indicatie geeft van de mogelijk kleine strongylide besmetting bij een paard.
Maagdarmwormen die een behandeling overleven, het komt steeds meer voor. Vooral Haemonchus blijkt een hele taaie. Bij wormbestrijding behoren schapenhouders duchtig rekeing te houden met resistentie tegen wormmiddelen.
De nieuwe aanpak:
Ontworm alleen als het echt noodzakelijk is.
Behandel de ooien rond aflammeren.
Ontworm de lammeren pas als na mestonderzoek blijkt dat er te veek eieren in de mest zitten.
.............Met een goed uitgevoerd mestonderzoek kunnen wij bepalen wat de aard en de mate van besmetting van het paard is. Op basis hiervan kan beslist worden of en met welk middel ontwormd dient te worden, Op deze manier kan het aantal behandelingen worden verminderd, wat het gevaar op ontstaan van resistentie doet afnemen. Alleen die dieren, die hoge aantallen eieren uitscheiden en dus voor een hoge weide en stal besmetting zorgen, moeten behandeld worden. De hoogte van het aantal wormeieren in de mest is afhankelijk van de weerstand van het paard deze is erfelijk bepaald. Dieren met een hoge weerstand en dus lage wormei aantallen zijn via het mestonderzoek te vinden en hoeven minder ontwormd te worden. Het is belangrijk om risicogroepen, de jongere dieren, goed te monitoren en, indien nodig, op de juiste manier te behandelen. In de nabije toekomst zal het mestonderzoek steeds meer een centrale rol in de wormbestrijding gaan innemen. In landen als Denemarken en Engeland wordt al op deze manier gewerkt. ................
Doramectin en albendazole resistentie in schapen in Nederland (feb. 2007)
Fred H.M. Borgsteede, Daan D. Dercksen and René Huijbers
De Worm Ei Reductie Test werd uitgevoerd op een schapenbedrijf met het vermoeden van ivermectine resistentie. Vijf groepen van 10 schapen werden geformeerd. Groep 1, was de controle groep, groepen 2 – 5 werden behandeld met de voorgeschreven dosering van respectievelijk; levamisol, doramectine, moxidectine en albendazole. Resistentie werd gevonden in de schapen behandeld met doramectine (15% effectief) en albendazole (87% effectief) Levamisol en moxidectine waren respectievelijk 99 en 100% effectief. Bij identificatie van de larven van de mest van schapen behandeld met doramectine bleek 100% van de larven Haemonchus te zijn. Bij de schapen behandeld met albendazole bleek 77% van de larven Haemonchus te zijn en 23% Teladorsagia. Doordat er veel aan- en verkopen waren op dit bedrijf, is het waarschijnlijk dat de resistente wormen op het bedrijf zijn gebracht met de introductie van nieuwe dieren.